Nomaden op zee

Op zoek naar lepelaars in Mauritanië

Manoeuvrerend door een doolhof van slenken loodst schipper Yhfdou zijn kleine houten schip door Nationaal park Banc d’Arguin. Speurend naar lepelaars zeilt documentairemaker Roel Diepstraten door dit Unesco werelderfgoed. Duizenden trekvogels uit Europa strijken ieder jaar neer in dit onherbergzame getijdengebied.

Ik tuur naar mijn droge, met zoutbeslagen voeten die over de blauwe rand van het houten visserschip hangen. Ze raken nog net niet het rimpelloze water en ik vraag me af of we nog op tijd zijn. Het is windstil en we dobberen al uren rond, wachtend tot dat zuchtje wind ons verder voert. Yhfdou de schipper, een lange, gespierde man met een kroesbaardje, getinte huid en een kaal hoofd, biedt ons, goedkeurend knikkend, twee shotglaasjes muntthee aan terwijl hij en zijn matroos in het Arabisch verder babbelen. De thee is net zo zoet als Marokkaanse muntthee, maar de kopjes zijn kleiner en de schuimkraag groter. Het is een belangrijk onderdeel van de Mauritaanse cultuur. Er wordt verbondenheid en kameraadschap gedeeld.

“Kijk daar, de eerste lepelaar!” Roept Hilco terwijl hij door zijn camera tuurt. Hilco een lange, rustige Groninger met kaki kleding maakt een documentaire over de lepelaar. Deze twee weken durende tocht is voor hem hét hoogtepunt van zijn filmproject. Al twee jaar volgt hij deze sierlijke, witte vogels op hun reis naar West-Afrika. De laatste halte mag daarbij niet ontbreken. Ik pak mijn verrekijker en kijk met hem mee. Rosse grutto’s, drieteenstrandlopers en inderdaad een groepje foeragerende lepelaars. Ieder jaar maken deze nomadische vogels een barre tocht van zo’n 4.500 kilometer om zich te goed te doen aan de rijkdommen van de oceaan.

Eindelijk blaast er een verkoelend briesje. De wind steekt op. Een euforisch gejuich klinkt over het dek. “Net op tijd!” roept Ahmed blij. “We zullen mooi voor hoogtij aankomen”. Ahmed is onze gids. Om zijn gelaat te beschermen draagt hij een toeregsjaal. De PhD student aan de Scientific Institute, Mohammed V University in Rabat doet hij onderzoek naar sternen in Banc d’Arguin. Ik kan me geen betere gids wensen. Zijn lichtbruine ogen beginnen te glanzen als hij een stormvogeltje aanwijst. Ze spelen verstoppertje achter de donkerblauwe golven.

Het katoenen, met lappen gerepareerde, zijl gaat uit. Voordat het bol komt te staan klappert het in de wind. De touwen komen strak te staan en langzaam zigzaggen we over het zachte water door de kreek als ware nomaden verder. In de wirwar van slenken en geulen doet de geur van de zilte, kleiige slib me denken aan de Waddenzee. De vogels die er rondwaden zijn hetzelfde en het open water wordt afgewisseld met steile slenkoevers. Ondanks de grote gelijkenissen zijn er verschillen; flamingo’s en roze pelikanen vergezellen de Europese vogels. Op eilandjes staan lage, groene mangrovebomen die worden afgewisseld door grote, lichtgroene velden vol zeegras. Dat laatste is in Nederland al decennia verdwenen. Het geeft een vertrouwd gevoel; een opluchting dat het hier nog is.

Na een paar dagen aan boord te zijn (deze is nieuw voor mij. vertrouw ik erop dat Yhfdou ons op tijd naar het eiland brengt. Alleen de Imragen, het volk waartoe hij behoort mag hier met zeilbootjes zonder motoren vissen. Hij vaart al jaren op dit vissersschip en kent het gebied op zijn duim. Ik zou verdwalen in dit platte doolhof. Druk maken over tijd of de wind doet hij niet. Schelle klanken van drums, de Tidrit een luid-achtig snaarinstrument, en de Ardin een harpachtig-instrument galmen uit zijn telefoon. Terwijl hij aan het roer staat danst en zingt hij over het dek.

Van oorsprong komen de Imragen uit de Sahara waar ze vee hoedden. De dieren stierven door de alsmaar droger wordende woestijn. De nomaden trokken uit nood naar de kleine, vissersdorpen. Tussen eb en vloed hebben ze een nieuw bestaan opgebouwd waar ze profiteren van de zee. Het houten vissersdorp Iwik, waar Yhfdou woont, breidde uit. Het is een rommelige, ongestructureerde verzameling houten huisjes, bedekt met verroeste golfplaten. Wegen zijn er niet en zoutkristallen glinsteren op het zand tussen de huizen. “Het dorp kan in zijn geheel verplaatsen wanneer het water te hoog komt te staan”, vertelt Ahmed.

Het moment waar we op hebben gewacht is aangekomen. Het springtij overstroomt alle geulen en slenken. De hoogst gelegen delen zijn de laatste toevluchtsoorden waar de wadvogels naar toe kunnen. Duizenden lepelaars  dalen vanuit de hemel neer. “Het lijken wel engelen” zegt Hilco vanachter zijn camera, terwijl Ahmed een hand op zijn schouder legt. Samen kijken ze elkaar lachend en euforisch aan. Yhfdou rijkt twee glaasjes muntthee aan.